Omdat er, voor zover bekend, niets bewaard is gebleven van het kerkelijk archief van vóór de Reformatie zijn we wat deze periode betreft afhankelijk van andere, meer indirecte bronnen. Het oudste gegeven over de parochie 't Woudt – naast het patronaatsrecht – treft men aan in een oorkonde uit 1304 van het Delftse klooster Koningsveld. Hierin wordt een zekere Ghoeswijn "pape (pastoor) van den Woude" genoemd. Wie de patroonheilige van de kerk is geweest, staat vreemd genoeg nergens vermeld. In een stuk van het bisdom Utrecht worden de parochiegrenzen wel precies omschreven. In de katholieke periode woonde de bevolking, die onder de kerk van 't Woudt viel, verspreid over het grondgebied van de parochie. In die tijd stonden hier niet meer dan enkele tientallen huizen.

Uit een grafelijk onderzoek van februari 1369 kan men afleiden dat "'t Wout ende Harnasse" (een ambacht je bij 't Woudt) ongeveer 90 mensen telde. Twee jaar later is er sprake van een teruggang naar zo'n 52 personen. Dit kwam vermoedelijk door een hevige pestepidemie, die in de zomer van 1369 veel slachtoffers maakte. Het ontbreken van pastoorsnamen tot voorbij het midden van de 15e eeuw houdt stellig verband met de vermindering van het aantal parochianen. De indruk bestaat dat de parochie 't Woudt geruime tijd werd bediend vanuit de Oude Kerk in Delft. Pas in 1473 ontmoeten we in een oorkonde van het Delftse St. Annaklooster weer een "pastoir opt Wout", namelijk Dirck Gerytsz.

Volgens de "Informacie" hadden "'t Wout ende Harnasch" in 1514 omtrent 100 communicanten. De vergroting van de kerk, rond 1500, kan mede uit de bevolkingsgroei worden verklaard. In 1508 werd pastoor Dirck Gerytsz. opgevolgd door Dirck Aemsz. (van der Burch), die ook bekend is geworden als biechtvader van de Delftse bagijnen en als onderpastoor van de Oude Kerk. In een rekening van het bisdom Utrecht van 1517 treft men Dirck Pietersz. aan als onderpastoor van 't Woudt. Vrijwel zeker nam hij hier de zielzorg waar voor Dirck Aemsz., die in Delft was blijven wonen, omdat daar zijn belangrijkste werkzaamheden lagen. In 1523 deed heer Dirck afstand van het pastoraat in 't Woudt ten behoeve van zijn neef Beukel Hendriksz. (van der Burch). Toen deze tijdens de terugreis van een bedevaart naar Jeruzalem in 1531 stierf, werd hij opgevolgd door Beukel Cornelisz., die de parochie tot 1558 leidde.

De laatste pastoor van 't Woudt was Pieter Cornelisz. Bel, die onder meer wordt genoemd in een register van de O.L. Vrouwekapel te Den Hoorn. Dit was een devotiekapel langs de weg van Delft naar 't Woudt. Van 1559-1562 heeft Bel hier verschillende missen geleid. Waarschijnlijk diende hij de parochie 't Woudt tot 1572. Vanaf dat jaar gingen kerk en pastorie geleidelijk over naar de aanhangers van de "nieuwe leer", het calvinisme. De pastoriegoederen vervielen aan de Staten van Holland, die het beheer ervan onderbrachten bij het Geestelijk Kantoor te Delft. Uit de administratie van deze instelling blijkt dat Pieter Cornelisz. Bel, die naar Delft was uitgeweken, tot 1578 een inkomen heeft genoten uit het Woudtse pastoriebezit.

Uit de Tiende Penning (een onroerend-goedbelasting) van 1561 kan men afleiden dat de parochie 't Woudt (kerk, pastorie, kosterij en armenzorg) minstens 25 ha. land verpachtte. De jaarlijkse opbrengst hiervan was ongeveer 160 pond. Ook kwamen ontvangsten uit het bezit van een aantal opstallen, zoals een boerderij en enkele huisjes waar "schamele lieden van den aelmisse" leefden. Naast de land- en de huishuur kreeg de kerk nog inkomsten uit renten, collecten, giften en zoengelden (boetes). Hoewel de parochie 't Woudt minder inwoners telde dan de omliggende kerkelijke eenheden, was zij door de vaste financiële bijdragen lange tijd in staat om een eigen pastoor te onderhouden. De uiteindelijke oorzaak van de ondergang van de parochie 't Woudt moet men dan ook niet zoeken in de materiële toestand van de kerk, maar in het algehele geestelijke klimaat in de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog.