De geschiedenis van het kerkgebouw is aan de stenen af te lezen. Het onderste deel van de toren bestaat uit zware kloostermoppen en kan nog uit de stichtingstijd dateren. Vóór de jongste restauratie (1957-1959) waren op de oostelijke torenmuur nog sporen zichtbaar van het eerste kerkje, dat niet veel breder was dan de toren. Het huidige schip, opgetrokken met bakstenen van een kleiner formaat, werd omstreeks 1500 gebouwd. Het omsluit de toren aan drie zijden, waardoor tussen de zijmuren en de torenflanken kleine zijbeuken zijn ontstaan. In die tijd heeft men ook de toren hoger gemaakt, zoals duidelijk blijkt uit het bouwmateriaal vanaf de onderkant van de bovenste galmgaten. De oude dubbele galmgaten, gevat binnen een rondboog, werden toen dichtgemetseld ter wille van de architectonische eenheid. Bij de restauratie zijn ze weer in het zicht gebracht, om te tonen hoe de vroegere toren eruit heeft gezien.

Rond de voet van de spits van de verhoogde toren liep waarschijnlijk een gemetselde borstwering. Dit kan men opmaken uit de van kapitelen voorziene zuiltjes, die op de hoeken en tussen de galmgaten van de bovengeleding zijn waar te nemen. De fijngeprofileerde boogjes en de witte blokjes op de torenhoeken zorgen met de spits voor een sierlijke afsluiting van de kordate toren. Op de steunberen van het vergrote schip vindt men eveneens blokken natuursteen, die daar voor een levendige kleurafwisseling zorgen. Tijdens de restauratie van de kerk heeft men de vensters, die in de vorige eeuw gedeeltelijk waren dichtgezet, weer voorzien van traceringen en van glas-in-lood.

In 1831 werd het koor afgebroken om ruimte te maken voor een eenvoudig kerkhof. In de hoge oostgevel ziet men nog de triomfboog, die eertijds het koor met het schip verbond. De herbouw van dit belangrijke onderdeel van de kerk was tijdens de restauratie vanwege de aanwezigheid van de begraafplaats helaas niet mogelijk. De voormalige doopkapel kon door de vondst van de fundering wel worden opgetrokken. De veelhoekige kapel bevindt zich aan de noordelijke torenflank en is thans als consistoriekamer ingericht.

Aan de situering van de kerk kan men nog goed zien dat het gebouw oorspronkelijk voor de rooms-katholieke eredienst werd gebruikt. Volgens algemene gewoonte is het georiënteerd of geoost. Hierdoor lag het koor – het gedeelte waar het altaar stond – met zijn vensters naar het oosten. Bij het opdragen van de mis keerde de priester zijn gelaat naar het oosten, waar Christus heeft geleefd. Zoals bij andere oude kerken ligt de toren in het westen. De torenzijde is de meest gesloten kant van de kerk, die daardoor bescherming bood tegen regen- en stormbuien uit het westen.