In een vergadering van de kerkvoogden en de notabelen, op 2 april 1902, werd de circulaire "Archieven" van het Provinciaal College van toezicht besproken. De scriba notuleerde over dit onderwerp: "de predikant deelt mede, dat dit is de bekende archievenvraag, voortspruitende uit de overgrote belangstelling van den minister van Binnenlandse Zaken, Dr. A. Kuyper, in onze nationale geschiedenis, waarvoor ook de kerkelijke archieven de bronnen bevatten". De predikant waarschuwt de vergadering voor die belangstelling en de voorgestelde staatszorg der archieven. Hij raadt aan, dat de vergadering dankbaar zij voor de belangstelling en vervolgens zich houde aan deze leuze: "Wij zullen zelf voor ons archief zorgen, ieder ander blijve daar af...".

Gelukkig was de kerkenraad in 1965 een andere mening toegedaan. Zij stond namelijk het gehele archief af aan de archivaris van de Nederlands Hervormde Kerk, die alle losse stukken in tijdsorde rangschikte en een inventarislijst opmaakte. Dankzij dit besluit is de geschiedenis van de Woudtse kerk thans duidelijk te overzien. Op 1 oktober 1970 werd het archief in bewaring gegeven bij het gemeentearchief van Delft (Oude Delft 169). Vanaf die tijd is het op deze plaats voor iedere belangstellende toegankelijk.