In de lengte-as van de kerk was vroeger het koor. Aan de muur achter de preekstoel kan men nog zien hoe hoog en breed het is geweest. De voormalige, nu dichtgemetselde opening ligt iets naar achteren ten opzichte van de rest van de muur. Aan de zijde van de begraafplaats zijn eveneens nog herinneringen aan het koor herkenbaar. Naast de triomfboog ziet men daar ook nog een klein deel van de noordmuur. De klomp steen in het gras aan de zuidkant van de kerk is een fragment van het fundament van het koor. Het formaat van de stenen komt overeen met dat van de kloostermoppen die in de onderbouw van de toren zijn verwerkt. Waarschijnlijk dateerde het koor gedeeltelijk uit de stichtingsperiode van de kerk.

De sloop van het koor hangt nauw samen met een bepaling uit 1829 van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, waarin werd gesteld dat er geen doden meer in de kerken begraven mochten worden. Er was op 't Woudt in die tijd wel een klein kerkhof (ten noorden en zuiden van de kerk), maar daar trof men alleen maar de graven van de armen aan. De meer welvarende gemeenteleden wilden op die plaats niet begraven worden.

De gemeenteraad van Hof van Delft, waartoe 't Woudt tot 1921 behoorde, stelde toen voor: "dat de Burgerlijke Gemeente van Hof van Delft het dak en de muren van het koor zal doen afbreken en dat zij ene voldoende afscheidingsmuur tussen het koor en de kerk zal doen stellen, ingeval de kerkvoogden der Hervormde Gemeente van 't Woud hun bereidwilligheid tonen tot het doen dier afstand onder de daarbij bepaalde voorwaarde tot het aanleggen van ene Burgerlijke Begraafplaats". De kerkvoogden gaven toestemming, want in het derde kerkeraadsboek (1780-1902) vindt men op 4 september 1831 de volgende aantekening: "Heden werden alhier de gewone godsdienstoefeningen hervat, nadat dezelve van den 24 July af hadden stilgestaan, wegens het afbreeken van het Koor der kerk, dat tot eene begraafplaats werd ingerigt".

Aan de zijde van de begraafplaats ziet men in de buitenmuur een nog goed geconserveerd wijdingskruis. Oorspronkelijk moeten er twaalf van deze kruisen (overeenkomstig het aantal apostelen) in de kerk zijn geweest. Ze gaven de plaatsen aan die bij de inwijding van het gebouw door de bisschop of zijn plaatsvervanger waren gezalfd. Na de Reformatie zijn ze achter een kalklaag verdwenen.