Op de kerkvloer vindt men kleine grijze tegels. Ten zuiden van de toren, bij de trap naar het orgel, ligt de enige grafzerk die in de kerk bewaard is gebleven. Een omgaand opschrift in gotische minuskels op deze zerk luidt:

"Hier leyt begraven Aem Heynriksz. starf Ao XVcV
de derd dach in April, ende Margriet syn wyf
starf Ao XIIIIcLXXIX den leste dach in Julio."

Binnen dit opschrift staat vervolgens nog:

"bid voor die zielen, ende Jan Symonsz. haer vaeder."

In de vier hoeken van de grafsteen zijn de kwartieren van het wapen van Aem van der Burch gebeiteld:

1e     Een rode schuine balk in een goud veld (Van der Burch);
2e     Een aan beide zijden getande rode dwarsbalk in een zilver veld (Van der Woert) ;
3e     Op goud twee rode barbelen (een karperachtige riviervis), paalsgewijze geplaatst (Van Brakel);
4e     Zes stukken respectievelijk goud en rood, lopende van boven-rechts naar onder-links (Hodenpijl).

Vóór de restauratie lag de grafsteen onder de toren, waar de toegang tot het kerkgebouw is. Op deze plek zou de toch al afgesleten zerk spoedig geheel onleesbaar zijn geworden, als men hem niet had verplaatst. In de 17e en 18e eeuw, toen er nog verschillende grafzerken in de kerk aanwezig waren, lag hij vóór het tegenwoordige orgelgalerijtje.

Heer Aem (Adam) van der Burch werd omstreeks 1415 geboren als zoon van Hendrick Aemsz. van der Burch en Catharina van der Woert. Hij huwde met Margaretha Heermans van Oegstgeest, een dochter van Jan Symonsz. Ze kregen acht zoons en zeven dochters. Hun zoon Dirck is geruime tijd pastoor van 't Woudt geweest. Adam van der Burch, die in de omgeving van 't Woudt woonde, behoorde tot de "welgeboren mannen" van Delfland.
Veel van zijn nakomelingen gingen een huwelijk aan met leden van bekende Hollandse families, bovendien bekleedden ze in de 16e, 17e en 18e eeuw talloze voorname overheidsfuncties in Delft en andere steden.
Mogelijk om de afkomst van het geslacht Van der Burch meer glans te geven, ontstond in de 18e eeuw de volgende historische mythe:

"Over de ene smalle weg die naar 't Woudt leidde, zou de graaf van Holland een bezoek brengen aan zijn trouwe mannen van het nederige 't Woudt. De graaf was nauwelijks halverwege of er kwam hem een schitterende stoet tegemoet. Voorop reed statig de oude Adam; achter hem, op fiere paarden, zwaar geharnast en prachtig om te zien, reden zijn twaalf zonen. De beide groepen stonden tegenover elkaar en Aem nam het woord: "Heer graaf", zei hij met luider stemme. "Ik bied u mijne zonen aan!" Dat was geen gering geschenk en de graaf staarde dan ook stomverbaasd en zeer stil naar de twaalf jonge mannen. Hij voelde ontroering in zich oprijzen en sprak bewogen: "Adam, spreek uw hartewens uit en ik zal hem vervullen". "Voor mezelf begeer ik niets", antwoordde de pientere Aem op vrome toon, "maar sta ons toe, dat wij onze eigen pastoor mogen kiezen". "Zo zij het", sprak de graaf genadig, en nog eeuwen later werd de predikant van 't Woudt beroepen door alle "Mansledematen", zonder dat er enige handopening of goedkeuring nodig is."

Dit verhaal vindt men bij verschillende dorpsbeschrijvers. In Kok's "Vaderlandsch Woorden boek" (1795) wordt het opgesierd door de prent, die hierbij is afgedrukt. Zoals bekend (zie onder stichting) hadden de parochianen van 't Woudt reeds in 1277 het patronaatsrecht verkregen. Vermoedelijk was men in de 18e eeuw niet meer op de hoogte van de werkelijke herkomst van het bijzondere benoemingsrecht binnen deze kerkelijke gemeente.