Het dorpje 't Woudt en een belangrijk deel van de Woudsepolder hoorden vanouds tot het grafelijke domein Hof van Delft. Toen in de 13e eeuw de bevolking in dit gebied toenam, groeide het verlangen naar een eigen kerk. Deze wens werd kenbaar gemaakt aan Bartholomeus van der Made, die in de Hof van Delft vermoedelijk het ambt van villicus of hofrechter bekleedde. Een dergelijke functionaris vertegenwoordigde in een bepaalde rechtskring de graaf. Van Bartholomeus van der Made is bekend dat hij zich met verschillende kerkelijke zaken heeft beziggehouden. Hij bezat het recht om een kerk te stichten (fundatierecht) en om een pastoor voor te dragen (patronaatsrecht). Daarnaast beschikte hij over de tienden van de gewassen (tiendrecht), waarvan een deel was bestemd voor het onderhoud van kerk en pastorie. Omstreeks 1264 heeft hij de Oude Kerk (tot 1381 St. Bartholomeuskerk) van Delft gesticht. In, of kort vóór het jaar 1277 stichtte hij ook de kerk van 't Woudt.

Mogelijk gebeurde dit op een stukje grond, dat tot de "xv morghen opt Wout" behoorde, die Bartholomeus van de graaf in leen had. Uit een akte van 1 november 1277, gericht aan Floris V, blijkt dat Bartholomeus van der Made afstand deed van het patronaatsrecht van de kerk van 't Woudt. Hij verzocht de graaf erin toe te stemmen dat de parochianen van 't Woudt voortaan zelf een pastoor mochten kiezen en voordragen bij de bisschop. Tevens gaf hij hen de beschikking over enige goederen, waarschijnlijk landerijen, die de parochie een vaste bron van inkomsten moesten geven. Volgens een tweede schrijven, eveneens van 1 november 1277, schonk Floris V dit recht inderdaad aan de gezamenlijke parochianen. Uit een derde akte kan men opmaken dat Jan van Nassau, de elect (ongewijde bisschop) van Utrecht, dit besluit in 1285 bekrachtigde.

Waarom Bartholomeus van der Made afstand deed van het patronaatsrecht, ten gunste van de bewoners van 't Woudt, is niet bekend. De verlening op zich kan men beschouwen als een uitzonderlijke gebeurtenis, omdat het aanwijzen van een pastoor, en later van een predikant, gewoonlijk het recht bleef van één of enkele personen (meestal de heer of de instelling die de ambachtsrechten bezat). De parochianen van 't Woudt hebben steeds beseft dat de schriftelijke bewijzen van de schenking van dit voorrecht niet verloren mogen gaan. Van de drie oorspronkelijke akten worden dan ook herhaaldelijk afschriften gemaakt, waarvan er enkele tot nu toe in het kerkelijk archief van 't Woudt bewaard zijn gebleven.