Kerkje van 't Woudt

Net zoals in veel andere plaatsen was na de Reformatie het onderwijs in 't Woudt aan de kerk opgedragen. Uit een stuk over de pastoriegoederen (in het archief van het Geestelijk Kantoor van Delft) blijkt Lambrecht Jacobsz. in 1579 "schoolmeester ende coster in den dorpe van 't Woudt" te zijn. In de verslagen van de kerkeraadsvergaderingen vindt men talloze bijzonderheden over de schoolmeesters. De oudste aantekening betreft de aanstelling van een nieuwe schoolmeester. Op "31 Martij (1591) hebben den dienaer met den ouderlinck ende dyaken, mitsgaders eenighe andere litmaten ende lieffhebbers des Evangeliums Jacob Lambrechtsen ten bywesen ende overstaen der ghesworen buyren tot eenen Schoolmeester ende Costere aenghenomen...".

Het eerste schooltje stond op de plaats van het huidige schoolhuis, dat thans nog als kosterswoning wordt gebruikt. Een steen in de voorgevel vermeldt: "dit nieuw woon-en schoolhuys is uit verscheide lievde gaven verzamelt door den predikant Meinardus Ruysch, gebouwt onder opzigt van den kerkmeester Gabriël Jacobsz. van der Kooy in 't jaar 1772, zynde de eerste steen gelegd door des schoolmeesters dogter Margaretha Troost, oud 3 jaar". Met trots vermeldde ds. Ruysch in het kerkregister dat hij voor de bouw van dit schoolhuis "536 gulden en 13 stuivers" bijeen had gebracht.
Gabriël Jacobsz. van der Kooij woonde op de voorname boerderij schuin tegenover de kosterswoning. Lange tijd bekleedde hij verschillende belangrijke functies in het ambacht Hof van Delft.
Over meester Troost en zijn school schreef Van Oliefen in 1793: "Het Schoolhuis staat vóór de Kerk, zijnde een ruim en luchtig gebouw, alwaar niet alleen de jeugd van het Woud, ter school gaat, maar ook verscheiden kinderen van elders, die er dan in de kost besteed worden: de jeugd geniet er het onderwijs, van den vermaarden Jan Troost, die er sederd den jaare 1766 Schoolmeester, Koster en Voorzanger, midsgaders Gaarder van de Gemeene Middelen is, zijnde, wegens zijne groote en uitmuntende bekwaamheden, alomme geacht en beroemd". De school telde één lokaal (het achterhuis van de kosterswoning), waar de kinderen, soms tot hun 15e jaar, individueel onderwijs kregen. Het schooltje werd in Delfland tot de "middelste rang" gerekend, waaruit men mag concluderen dat de inrichting vrij goed is geweest.
Tot de Franse tijd heeft het onderwijs in 't Woudt onder toezicht van de kerk gestaan. Daarna ging de overheid de schoolzaken regelen. De burgerlijke gemeente Hof van Delft kocht in 1829 het schoolhuis van de kerk van 't Woudt. Toen het onderwijs in 1874 naar Den Hoorn werd verplaatst, heeft de kerkvoogdij het gebouwtje weer teruggekocht. Met de kerk, de aangrenzende bebouwing en de beplanting vormt dit karakteristieke monument een voornaam onderdeel van het beschermde dorpsgezicht 't Woudt.

 

In een vergadering van de kerkvoogden en de notabelen, op 2 april 1902, werd de circulaire "Archieven" van het Provinciaal College van toezicht besproken. De scriba notuleerde over dit onderwerp: "de predikant deelt mede, dat dit is de bekende archievenvraag, voortspruitende uit de overgrote belangstelling van den minister van Binnenlandse Zaken, Dr. A. Kuyper, in onze nationale geschiedenis, waarvoor ook de kerkelijke archieven de bronnen bevatten". De predikant waarschuwt de vergadering voor die belangstelling en de voorgestelde staatszorg der archieven. Hij raadt aan, dat de vergadering dankbaar zij voor de belangstelling en vervolgens zich houde aan deze leuze: "Wij zullen zelf voor ons archief zorgen, ieder ander blijve daar af...".

Gelukkig was de kerkenraad in 1965 een andere mening toegedaan. Zij stond namelijk het gehele archief af aan de archivaris van de Nederlands Hervormde Kerk, die alle losse stukken in tijdsorde rangschikte en een inventarislijst opmaakte. Dankzij dit besluit is de geschiedenis van de Woudtse kerk thans duidelijk te overzien. Op 1 oktober 1970 werd het archief in bewaring gegeven bij het gemeentearchief van Delft (Oude Delft 169). Vanaf die tijd is het op deze plaats voor iedere belangstellende toegankelijk.