Kerkje van 't Woudt

Vóór de restauratie vond men in de kerk uitsluitend rieten stoelen en een aantal familiebanken. De rode banken die thans het gebouw vullen, zijn voor f 630,-- aangekocht van een gereformeerde kerk in Nijverdal. De eiken bank direct rechts (tegen de zuidmuur) dateert uit de 18e eeuw. De twee bankenblokken tegen de noordmuur vormen met het doophek één geheel; ze hebben een gelijke decoratievorm en zijn in dezelfde kleuren beschilderd. Mogelijk zijn dit de twee banken waarvoor in 1769 een contract werd opgemaakt: "volgens welken wij onderschreve met toestemming der kerkmeesteren in de kerk van 't Wout gezet hebbende ieder voor ons zelve een dubbelde bank, beloovende daarvan aan de kerk jaarlijks te zullen betaalen (elk voor de zijne) een zomma van drie gulden". De ondertekenaars waren Gabriël Jacobsz. van de Kooij en Pieter Arentsz. Dijkxhoorn.

In de noordwesthoek van de kerk staat een schepenbankje uit het midden van de zeventiende eeuw. Hierin zaten vroeger de schepenen, functionarissen die oorspronkelijk met de rechtspraak waren belast, maar zich later ook bezighielden met de wetgeving en het bestuur van het ambacht. Het bankje is versierd met toogpanelen en veel vlechtbanden en vertoont grote overeenkomsten met een schepenbankje in de kerk van Schipluiden uit 1660. Na de restauratie heeft men het plaatsgeld afgeschaft, zodat er geen onderscheid meer is in rangen en standen. Alleen de kerkenraadsleden hebben in de kerk nog vaste zitplaatsen.

 

Zeer opvallend is het gemarmerde gedenkteken met het opschrift:
"J. Dirckz. Houwaert, Anno 1656" en "Proverbia 6. Vs. 16"
(het bijbelboek Spreuken, hoofdstuk VI, de verzen 16-19)

Tussen de genoemde doop- en familienaam bevindt zich een wapen: gevierendeeld, 1 en 4 op zilver met een in perspectief getekende gouden visbun; 2 en 3 in blauw een gouden Sint Andrieskruis vergezeld van vier zilveren klaverbladen; over de snijlijn heen loopt een rode dwarsbalk beladen met drie gouden zespuntige sterren. Boven dit wapenschild bevindt zich een blauw-groene vissenkop met rode bek en tanden, waaruit een opgeheven vleeskleurige rechterarm komt met in de hand een kromme grijze sabel.

Deze voorstelling verwijst naar de familienaam Houwaert (houwen of slaan). Wie de schenker in het vredige 't Woudt met dit tafereel de les wilde lezen, is niet duidelijk. In het verleden zal menige kerkganger onder de indruk zijn geraakt van de dreigend naar hem uitgestrekte arm met het wapen. Een tweede gedenkbord in de kerk heeft tot opschrift: "Claes Dirricksz. Houwaert 1625" en "Zephania 2 vers 1". Boven dit opschrift bevindt zich een volledig, maar bijna onzichtbaar geworden wapen: in zwart (met witte golflijntjes) een in perspectief getekende gouden visbun; helmteken en vlucht van goud (rechts) en zwart (links); mantel van goud en zwart.

 

Boven de preekstoel ziet men een groot bord met de volledige tekst van de "Wetgeving des Heeren". Het hangt er "ter stichting en vermaning" van de gemeente. De geboden zijn in een prachtig handschrift neergeschreven op twee rood-bruine "tafelen" binnen een blauwe omlijsting. Dit geheel wordt bekroond door een sierlijk ornament, met als opvallende kenmerken: enige fraai geschilderde vruchten en bladeren, en een rond silhouet met de zinspreuk: "Het Woudt brande in de liefde Gods altijd. 1599." Binnen deze tekst staat in een lichtkrans "Jahweh", de Hebreeuwse naam van God. De half duistere voorstelling daaronder bevat enkele wolkpartijen, een boom (rechts) en een waterstroom (midden).

Mogelijk heeft de kunstenaar hiermee enige verzen van Psalm 1 in beeld gebracht. In de Statenvertaling luiden zij als volgt: "...Maer sijn lust is in des Heeren wet, ende hy overdenckt sijne wet dagh ende nacht. Want hy sal zijn als een boom, geplant aen waterbeken, die sijne vrucht geeft in sijnen tijt, ende welckes bladt niet af en valt: ende al wat hy doet, sal wel gelucken." Alle genoemde elementen van de schildering zijn in deze woorden herkenbaar. De inhoud en de vorm van de omlopende zinspreuk symboliseren Gods eeuwige aanwezigheid.

Het kerkzegel van de protestantse gemeente 't Woudt - Den Hoorn is afgeleid van het silhouet van het gebodenbord. Het is een eenvoudige voorstelling met een rijke symbolische inhoud.

 

De zeshoekige preekstoel is een zeer gaaf meubelstuk uit 1601.
Op de hoeken bevinden zich zuilen met gebeeldhouwde kapitelen; op de panelen ziet men ruitvormen, die extra zijn benadrukt door een beschildering in goud met zwarte, als schaduw bedoelde, randjes. In dezelfde techniek zijn ook het jaartal 1601 en twee paar initialen aangebracht. Op het centrale paneel staan aan weerszijden van een passer de letters S.R.; op het paneel rechts daarvan herkent men de letters C. L. Waarschijnlijk duiden ze op de namen van respectievelijk de schrijnwerker/ontwerper en de uitvoerende timmerman. Tijdens de laatste restauratie werd de kansel van een dofbruine vernislaag ontdaan, waarbij deze goed geconserveerde gegevens te voorschijn kwamen.

Ook leesbaar is de tekst: ("So is dan het gheloove) uyt het ghehoor ende het ghehoor door het woordt Godts. Tot den Romeiin X.XVII. Gods woort blyft in eewicheit." Op het linker paneel zijn de tussen haakjes geplaatste woorden weggevallen.

Op het achterschot dat de preekstoel met het klankbord verbindt, staat eveneens een bijbeltekst. Hoewel hiervan nog maar enkele letters zijn te lezen, zal ook dit vers – overeenkomstig de hervormde leer – de bedoeling hebben gehad het belang van Gods Woord te benadrukken.
Een rekening van 1615 vermeldt: "Noch betaelt voor een lessenaer voor op de preedycant stoel, drie guldens en vijf stuijvers",
Het is niet bekend of dit al de huidige koperen lezenaar was. De Statenbijbel op de kansel dateert uit 1660. De bijbel van de voorlezer op de lezenaar boven het doophek draagt het jaartal 1682. De betekenis van de letters S.P.C., die in koper aan de onderkant van deze standaard zijn aangebracht, is nog onbekend.
In 1656 wordt de schoolmeester betaald voor "de kerkeborde te schildere die aen de preeckstoel hangen". Op foto's van vóór de restauratie ziet men nog deze "psalmborden". De fraaie oude bordjes links en rechts van de kansel zijn een geschenk van de vrouwenvereniging en sieren de kerk sinds 1959. Zij komen uit de hervormde kerk in Tholen en vertonen wat hun stijl betreft een toevallige overeenkomst met het gedenkteken van Jacob Dircksz. Houwaert.

Na de restauratie is in de koperen houder weer een zandloper geplaatst. Vroeger had een dergelijke tijdmeter een functie in de kerk. De predikant kon een boete van drie stuivers krijgen als hij een preek langer dan anderhalf uur liet duren. Het is geen wonder dat men bij lange diensten hoorde klagen: "En wil de predikant nog niet ophouden, men neemt een tuckjen, en sonder goede nacht te seggen, stelt men sich onbeschaemdelick tot de slaep en knickebolt den predikant toe als een stootende bock. En al predickt de predikant dat het hembt hem aan de rugge kleeft en al roept hij: dat het Koningrijck der Hemelen geweldt lijdt en stormenderhandt moet ingenomen en verovert worden, nochtans en waeckt men niet op, al even of 't hem niet raeckte en of men so slapende in den Hemel konde komen."

 

De hervormde gemeente 't Woudt bezit twee zilveren bekers en twee zilveren broodschotels, waarop het alliantiewapen van Van Hogendorp-Beck staat gegraveerd. Margaretha Catharina Beck kocht in 1724 uit de grafelijkheidsdomeinen de ambachten Hof van Delft, Vrijenban, Wout- en Woutharnasch. Vrijwel zeker is zij het geweest die dit kostbare serviesgoed aan de kerk heeft geschonken, in de periode dat zij ambachtsvrouwe van 't Woudt was. Dit moet vóór 1738 zijn gebeurd, het jaar dat zij kwam te overlijden. Daarna verkocht haar echtgenoot Gijsbert van Hogendorp de genoemde heerlijkheden aan de stad Delft.

Catharina en Gijsbert hadden hun zomerverblijf op de buitenplaats Sion, ten noorden van Den Hoorn. Over de herkomst van de tinnen schenkkan en de twee tinnen offerkannen is niets bekend. Op de onderkant van een derde zilveren broodschotel staat: "Geschenk van de Gemeente uit vrijwillige bijdragen aan de Ned. Herv. Kerk te 't Woudt onder Ds. C.W. Bastiaanse, 1925."

De kerk heeft ook nog een zilveren doopbekken, waarop aan de achterzijde is te lezen: "Deese Becke is Vereert Aende Wousse Kerck Anno 1668". Binnen deze tekst staan de initialen van de schenkers: C.I.H., A.P.V.S., B.I.V.S.

 

Gedurende drie eeuwen werd de samenzang in de kerk van 't Woudt door een voorzanger geleid. Het was altijd één van de vaste taken van de schoolmeester. In januari 1891 wordt in het genoemde "Actenboek" voor het eerst iets vernomen over een kerkorgel. De predikant blijkt de voornaamste pleitbezorger te zijn. Hij stelde voor het traktement van de voorzanger in het vervolg te besteden voor de organist. Men benoemde een commissie voor de aankoop en de plaatsing van het orgel, dat al in september 1891 in gebruik kon worden genomen. Dit eerste orgel – een zgn. harmonium – heeft bijna een halve eeuw dienst gedaan. Van 1938 tot 1969 bezat de kerk een 4 registers tellend pijporgeltje. Op 29 oktober 1970 werd het huidige mechanische orgel officieel in gebruik genomen.

Het is gebouwd door de firma De Koff te Utrecht. Het orgel, dat in een eenvoudige kast is geplaatst, telt 613 pijpen. De dispositie bestaat uit 9 stemmen, verdeeld over 2 klavieren en een vrij pedaal:

hoofdklavier: bovenklavier: pedaal: nevenregisters:
prestant 8' baarpijp 8' subbas 16' 3 normaalkoppelingen
roerfluit 8' roerfluit 4'
octaaf 4' woudfluit 2'
mixtuur 3-4-sterk sesquialter 2-sterk

 

In een Haarlems' handschrift van de familie Van der Burch wordt verteld dat er in het glas-in-lood van een "sekere Gappelle" (de consistoriekamer?) van de Woudtse kerk drie figuren stonden afgebeeld "welckers cleedinge ende gestaltenisse nyet anders mede en brengen, dan dat die geweest syn van ende uyt het geslachte (Van der Burch), daer de voors. wapenen (familiewapens), daer onder die staen, toebehoorich syn". De kapel, die vermoedelijk dienst deed als doopkapel, werd in de geuzentijd vernield. Tijdens de laatste restauratie heeft men het gebouwtje weer opgebouwd en ingericht als kerkeraadskamer.

Aan de muur hangen verschillende lijstjes met foto's van predikanten die in 't Woudt hun werkterrein hebben gehad. De koperen plaat is afkomstig van het oude torenuurwerk. Hierin staat gegraveerd: "Reparata 1786, kerkmrs. Philips Akkersdijk & Arij Pieter Dijkshoorn, Door Fr. Bontje, Mr. Smidt a Delft".

Tegenover de consistoriekamer hangt aan de zuidelijke torenwand een schilderijtje van P. Kramer (1879-1940), die daarop een deel van het front van de kerk heeft vastgelegd. Rechts van de toegang ziet men tussen twee steunberen een muurtje, waarachter tot in deze eeuw de beenderen werden bewaard die bij het grafdelven bovenkwamen. Naast deze afbeelding vindt men een foto van een paneeltje met twee wapens. Het heeft op een familiebank gezeten, die na de restauratie niet meer in de kerk is teruggekeerd. De initialen C.D.J. en C.D.H. zijn van Cornelis de Jong en zijn echtgenote Cornelia Dijkshoorn. Boven hun wapens staat het jaartal 1871.

 

De witte trap langs de torenwand leidt naar een klein deurtje, dat toegang verleent tot de torenkamer waar het uurwerk staat. Een naamplaatje onthult dat dit uurwerk in 1913 door Adriana de Jong aan de kerk werd geschonken. Het is thans niet meer in gebruik, omdat de torenklok sinds 1980 elektrisch wordt aangedreven. Het oorspronkelijke 17e eeuwse uurwerk heeft nog jaren in de torenkamer gestaan, maar is bij de laatste restauratie helaas verdwenen.

Als men verder in de toren omhoog gaat, komt men via een luik bij de bronzen lui-klok, tevens slagklok van het uurwerk, die in gotische minuskels als opschrift heeft:

"Salvator is mijn naem
mijn gheluie-theijt is voor God bequaem
Hanricus de Voechd me fecit anno domini MIIIIIcXVI".

Uit een aantekening in het oudste register van de kerkeraad van 't Woudt (1588-1662) kan de herkomst worden afgeleid van deze klok uit 1516. Onder 29 juni 1590 is te lezen: "Ende wordt de kerkmeester belast een clocke te coope, het welke door hem ende lambrecht geschiet is tot Uytrecht". Vrijwel zeker is de oude klok "Salvator" afkomstig uit de St. Salvatorkerk te Utrecht. Deze kerk was ca. 1587 gesloopt!

 

Op de kerkvloer vindt men kleine grijze tegels. Ten zuiden van de toren, bij de trap naar het orgel, ligt de enige grafzerk die in de kerk bewaard is gebleven. Een omgaand opschrift in gotische minuskels op deze zerk luidt:

"Hier leyt begraven Aem Heynriksz. starf Ao XVcV
de derd dach in April, ende Margriet syn wyf
starf Ao XIIIIcLXXIX den leste dach in Julio."

Binnen dit opschrift staat vervolgens nog:

"bid voor die zielen, ende Jan Symonsz. haer vaeder."

In de vier hoeken van de grafsteen zijn de kwartieren van het wapen van Aem van der Burch gebeiteld:

1e     Een rode schuine balk in een goud veld (Van der Burch);
2e     Een aan beide zijden getande rode dwarsbalk in een zilver veld (Van der Woert) ;
3e     Op goud twee rode barbelen (een karperachtige riviervis), paalsgewijze geplaatst (Van Brakel);
4e     Zes stukken respectievelijk goud en rood, lopende van boven-rechts naar onder-links (Hodenpijl).

Vóór de restauratie lag de grafsteen onder de toren, waar de toegang tot het kerkgebouw is. Op deze plek zou de toch al afgesleten zerk spoedig geheel onleesbaar zijn geworden, als men hem niet had verplaatst. In de 17e en 18e eeuw, toen er nog verschillende grafzerken in de kerk aanwezig waren, lag hij vóór het tegenwoordige orgelgalerijtje.

Heer Aem (Adam) van der Burch werd omstreeks 1415 geboren als zoon van Hendrick Aemsz. van der Burch en Catharina van der Woert. Hij huwde met Margaretha Heermans van Oegstgeest, een dochter van Jan Symonsz. Ze kregen acht zoons en zeven dochters. Hun zoon Dirck is geruime tijd pastoor van 't Woudt geweest. Adam van der Burch, die in de omgeving van 't Woudt woonde, behoorde tot de "welgeboren mannen" van Delfland.
Veel van zijn nakomelingen gingen een huwelijk aan met leden van bekende Hollandse families, bovendien bekleedden ze in de 16e, 17e en 18e eeuw talloze voorname overheidsfuncties in Delft en andere steden.
Mogelijk om de afkomst van het geslacht Van der Burch meer glans te geven, ontstond in de 18e eeuw de volgende historische mythe:

"Over de ene smalle weg die naar 't Woudt leidde, zou de graaf van Holland een bezoek brengen aan zijn trouwe mannen van het nederige 't Woudt. De graaf was nauwelijks halverwege of er kwam hem een schitterende stoet tegemoet. Voorop reed statig de oude Adam; achter hem, op fiere paarden, zwaar geharnast en prachtig om te zien, reden zijn twaalf zonen. De beide groepen stonden tegenover elkaar en Aem nam het woord: "Heer graaf", zei hij met luider stemme. "Ik bied u mijne zonen aan!" Dat was geen gering geschenk en de graaf staarde dan ook stomverbaasd en zeer stil naar de twaalf jonge mannen. Hij voelde ontroering in zich oprijzen en sprak bewogen: "Adam, spreek uw hartewens uit en ik zal hem vervullen". "Voor mezelf begeer ik niets", antwoordde de pientere Aem op vrome toon, "maar sta ons toe, dat wij onze eigen pastoor mogen kiezen". "Zo zij het", sprak de graaf genadig, en nog eeuwen later werd de predikant van 't Woudt beroepen door alle "Mansledematen", zonder dat er enige handopening of goedkeuring nodig is."

Dit verhaal vindt men bij verschillende dorpsbeschrijvers. In Kok's "Vaderlandsch Woorden boek" (1795) wordt het opgesierd door de prent, die hierbij is afgedrukt. Zoals bekend (zie onder stichting) hadden de parochianen van 't Woudt reeds in 1277 het patronaatsrecht verkregen. Vermoedelijk was men in de 18e eeuw niet meer op de hoogte van de werkelijke herkomst van het bijzondere benoemingsrecht binnen deze kerkelijke gemeente.

 

In de lengte-as van de kerk was vroeger het koor. Aan de muur achter de preekstoel kan men nog zien hoe hoog en breed het is geweest. De voormalige, nu dichtgemetselde opening ligt iets naar achteren ten opzichte van de rest van de muur. Aan de zijde van de begraafplaats zijn eveneens nog herinneringen aan het koor herkenbaar. Naast de triomfboog ziet men daar ook nog een klein deel van de noordmuur. De klomp steen in het gras aan de zuidkant van de kerk is een fragment van het fundament van het koor. Het formaat van de stenen komt overeen met dat van de kloostermoppen die in de onderbouw van de toren zijn verwerkt. Waarschijnlijk dateerde het koor gedeeltelijk uit de stichtingsperiode van de kerk.

De sloop van het koor hangt nauw samen met een bepaling uit 1829 van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, waarin werd gesteld dat er geen doden meer in de kerken begraven mochten worden. Er was op 't Woudt in die tijd wel een klein kerkhof (ten noorden en zuiden van de kerk), maar daar trof men alleen maar de graven van de armen aan. De meer welvarende gemeenteleden wilden op die plaats niet begraven worden.

De gemeenteraad van Hof van Delft, waartoe 't Woudt tot 1921 behoorde, stelde toen voor: "dat de Burgerlijke Gemeente van Hof van Delft het dak en de muren van het koor zal doen afbreken en dat zij ene voldoende afscheidingsmuur tussen het koor en de kerk zal doen stellen, ingeval de kerkvoogden der Hervormde Gemeente van 't Woud hun bereidwilligheid tonen tot het doen dier afstand onder de daarbij bepaalde voorwaarde tot het aanleggen van ene Burgerlijke Begraafplaats". De kerkvoogden gaven toestemming, want in het derde kerkeraadsboek (1780-1902) vindt men op 4 september 1831 de volgende aantekening: "Heden werden alhier de gewone godsdienstoefeningen hervat, nadat dezelve van den 24 July af hadden stilgestaan, wegens het afbreeken van het Koor der kerk, dat tot eene begraafplaats werd ingerigt".

Aan de zijde van de begraafplaats ziet men in de buitenmuur een nog goed geconserveerd wijdingskruis. Oorspronkelijk moeten er twaalf van deze kruisen (overeenkomstig het aantal apostelen) in de kerk zijn geweest. Ze gaven de plaatsen aan die bij de inwijding van het gebouw door de bisschop of zijn plaatsvervanger waren gezalfd. Na de Reformatie zijn ze achter een kalklaag verdwenen.

 
Meer artikelen...